manuscriptfragment
Sommige verhalen beginnen niet bij wat er gebeurt, maar bij wat zich niet meer helemaal laat herinneren. Dit is een kleine opening uit een manuscript in wording.
Het plafond geeft mee. Plaaster bladert ogen; melkblanke staar. Zoals ik staar. Ik staar mijn ogen gaar. Knipper, wrijf de insomnie uit mijn ogen: wat gaat vandaag weer geven? Ah ja, die geschiedenistoets. Ça va, dat gaat gaan. En Mees zien tussenin de lessen, in de buanderie op het vierde. Dan dat kunstatelier vormgeving van mevrouw Lecharl—MERDE
Schiet vanonder het laken – oh, de koude; de tocht; de taboeret is leeg, mijn peignoir is in de was, tant pis. Pak de tabak, het vloeipapier; kilte omvademt me. Klam hoopje huid, koud, een zweem groen tussen dat bruinrood, fikt, walmt blauwgrijs, beslaagt mijn ochtendsmoor, mijn lippen gekloven, prikken. Foto’s van dat beeld, waar? Ah, daar! 3u53, ça va, dat moet lukken. Poot mij achter het bureau, pen en vel:
Klotho van Camille Claudel gaat over – ja, waarover? Een oud wijf, de smakelijkheid voorbij; het onderwerp tijd en pijn in alle waarschijnlijkheid – het noodlot, de tijd en het belang van een deftige coiffeuse – nee, Angie, houd het wat deftig, anders krijgt ge weer onder uw botten – het noodlot, de tijd en het belang van een deftige coiffeuse de kwetsbaarheid van het menselijk leven.
En daarna?
Wie was dat vrouwmens weer?
Juist, geen mens:
Klotho is in de Griekse mythologie de schikgodin die de levensdraad spint. Claudel beeldt haar niet af als een serene godin, maar als een uitgemergelde, verwrongen, ouder wordende vrouw, gevangen in strengen die tegelijk op haar haar en op levensdraden lijken. Daardoor krijgt het werk iets onrustigs en onverbiddelijks.
Ça y est, daarmee is het wel gezegd. Wat zegt Lecharliers instructie?
Putain.
500 woorden !
Je suis bien dans la merde.
De kern van het beeld draait rond het leven dat wordt gesponnen, maar ook begrensd; de mens staat niet volledig vrij tegenover zijn lot; – zie dat hier gaan, ik ben op dreef – ouderdom, verval en sterfelijkheid zijn onafwendbaar; er zit ook een sterke emotionele lading in van angst, strijd en tragische kracht. – dat kan er niet naast zitten, wie zit nu niet af en toe eens diep in de shit, etcetera.
Wat kan ik nog schrijven dat Lecharlier op de knieën krijgt? Wat het beeld zo sterk maakt, is Wat het beeld zo sterk maakt, is Wat het beeld zo sterk maakt, is
De leidingen schudden met water; schudden me wakker.
4u13.
Water op dit uur? What the fuck?
Ik open de deur naar de trappen: gerochel, gekreun, gekerm.
Maar alé, wat doet Bobonne al op?
Wat het beeld zo sterk maakt, is dat Claudel van een mythologisch onderwerp geen mooi allegorisch beeld maakt, maar iets lichamelijks, pijnlijk en existentieel. Ge gaat het hiermee moeten doen, Mevrouw. Het gaat niet alleen over een godin, maar over hoe het voelt om als mens aan tijd en lot onderworpen te zijn. Ze zal wel weten waarover ik het heb, ze is minder onnozel dan dat ze eruit ziet. Plus, die heeft mij graag.
En dan nog in essentie bij in de openingszin, question dat ze op geen 500 woorden moet hopen.
Doof mijn joint; het kleien schaaltje sijfelt.
Fezel de wankele trap af, de scheve paliais op; luister; gekerm – ja, ze zit in de badkamer. Ga haar slaapkamer in, smijt mij haar peignoir om; sa mère, zo ruw. Ik moet achter wasverzachter.
De deur naar het gekreun kraakt.
‘Ach, maske,’ zucht ze.
Klampt zich aan de badrand.
Ik klamp me aan de bedrand.
Zucht.
Wat zei ze erna? Ach, maske,
En dan?
Ach, maske,
Ach, maske,
Ik kan er niet meer bij. Ik herinner het me niet.
Ach, maske,
Ik wring mijn geheugen uit, mijn maag schift van het zuur.
Ik kijk naar het plafond: het geeft alsnog mee. Plaaster bladert ogen; kalkharde staar. Zoals ik staar. Staar mijn ogen gaar. Knipper; ach, wat gaat vandaag geven? J’en ai déjà marre. De ochtend vogelstil. Welke dag is het vandaag weer? Donderdag. Bijna vrijdag. Juist, dat oudercontact. Mag ik niet vergeten, om welk uur was dat? Zestien. Weeral nauurs, dat, weeral nablijven: het was weeral te peizen. Weg, mijn goesting. En morgen? Ah, putain, wacht, morgen wilt de directie mij zien. Ça y est, weg mijn goesting in morgen, ça y est, ik zet mij ziek. Ja, gij, vandaag én morgen. Dat plafond zou echt is gedaan moeten worden. Nee, nee, ik moet die moeder echt spreken vandaag. Ga weer zo’n mon-enfant-bel-enfant-gesprek zijn. Enkel morgen dan? De directie kan maar tegen de muur aan razen. Tant pis pour sa gueule. Het tocht hier. Het is koud hier, het is koud hier. Wat zei ze nu ook alweer? Komaan, herinner het u; herinner het u; herinner Ach, maske,
Fuck it.
Ik daal af.
Open de deur.
De badkamer is leeg.
Kilte dekt me.
Metaal rochelt.
De leidingen schudden met water. Schudden me wakker.
3u42.
Spits mijn oren. Het geschud gaat liggen.
De badkamer leeg.
De leidingen stil.
Het zullen de muizen in mijn muren zijn.
Zucht. Stil.
Het komt niet. Op slaap moet ik niet meer hopen.
Knip het licht aan.
Ze voelt nog lichter aan.
Mijn arm onder haar oksel, haar knokige vingers om de mijnen:
Ze stapt de kuip in, geeft zich aan de warmte.
‘Ach, maske,’ ze wringt de badspons uit.
‘Ik geraak niet meer verwarmd.’
Haar huid, fijn, met tijd beslagen; haar bruine irissen wasemen grijs, omrankt met rimpels als wortels die zich diep in haar sloegen, haar bij elkaar houden. Tattoos van libellen tussen riet op futloze armen tot schaduwen gestold. Gouden oorbellen in hangende lellen tussen lange natte klitten grijs. Ze knikt, ja, gedecideerd: ‘Want ik heb geleefd, Angie, ik heb geleefd.’
Een resolute trek aan haar gerolde saf; grijsblauwe pluimen tussen vlagen warm stoom; ‘Ik bevries hier bekanst’. En grijsblauwe pluimen vantussen paars gestifte lippen. Ze kijkt naar de aders langs haar armen. Ze kijkt naar de rouge à lèvres afdruk op de vloei.
‘Dat het mij verteert is één ding, maar fabuleus zal ik blijven.’
Mama peisde er ook zo over, toen. Mijn nek zet zich aan het gloeien, brandt.
Oude takken krassen tegen het raam aan. Ze kijkt, de tuin in. Zet haar verse jatte koffie tussen oude jattes op het kozijn, bruinig porselein van stof en ingedroogde koffie.
Ik zou ze eens moeten afwassen.
Neem haar spons over. Schuim het met sop. Hef haar arm op–
‘Ah! Zo hoog kan ik niet meer, minstinguette.’
Wrijf de spons zacht in haar oksel, over het litteken dat een libel werd, langs haar rechterborst. De libel ligt hoger dan haar tepel.
‘Hoe gaat het met Elif?’
De gloed spreidt. Ik kraak mijn nek, mijn schouders warmen. Was haar warm.
Ze draait zich om. Haar hand op mijn arm.
‘Angie.’
Badschuim knispert.
Ik slik, haal mijn schouders op.
Elif scheurt de Bubbelicious zo geruisloos mogelijk open, stopt me de kauwgom toe. ‘Ziet dat Lecharlier u niet ziet sjikken!’ Ze knipoogt. Haar warme lach.
‘Laat haar dichterbij,’ Bobonne knijpt me zacht bijeen.
En kraak mijn nek.
Geraak niet verwarmt.
Knip het licht uit.
‘Dichterbij dan wat u uitkomt.’




Opmerkingen