Moedergeslacht
- Jo Du Marais

- 22 nov 2025
- 3 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 24 nov 2025
Wat geef je door aan een kind: je liefde, je littekens, of allebei?
Moedergeslacht is een kortverhaal over schaamte, zorg en de erfenis waaruit je geboren bent – en de vraag of je daar ooit echt van loskomt.
Koud tegen mijn kaak; zucht,
‘Kut.’
Een vloerkleed kopen.
Geen slecht gedacht, dat. Met pioenen, arabesken en hersenkreukels delen, doubleren, keren op zichzelf en keren doet ook mijn maag. En amechtig dat lijf, amechtig en ongewillig die poten. Alé, recht, gij. Recht!
Ja. Kom. Ja, tafel; daar. Trekt u recht! Trekt u―
RECHT doorheen dat jukbeen: pijn splijt mijn oogkas, kerft mijn schedel; ze golft, die voorkamer, tilt en kantelt haar as over. Vast―
Pakt u vast! De stoel. Kermt over de vloer; man, averechts spul…
Zet u nu.
Zet u!
En uit, die klotehakken ook. Ah, dat mijn poten gonzen; mijn onderlijf suist, dijen hangen mijn drijfnat jurkje uit.
Dorstig werk, dat thuiskomen.
‘Ge spoelt hier weeral op u elegantst aan.’
Kut.
Met moeite ontkleef ik dat sponzig gelob van mijn verhemelte, ‘Moet ge nu, is da – is da nu zó nodig?’
Moeder komt uit de donkerte van het vertrek, ‘Mij herinneren aan uw bestaan?’
Mijn beeld, korstig als de schandvlek die in haar zicht gist. Ze hurkt naast me, sist, ‘Dat een vrouwmens als u zo’n schoon dochter als ons Eef heeft.’ Ze duizelt me, verkruimelt me met haar muil, haar rozencologne. ‘Curieus, dat dat is.’ En slikt, wendt zich af. Mijn kop knikt tegen koud fineer, de nerven van het tafelvlak wemelen wegen door mijn poreuze hersenvezel.
Eefje.
Daar waar zij ooit geborgen zat, vreet schaamte mij tot leemte.
Pakt die tafelrand vast, ja, recht. Oh, dat mijn voeten tintelen, die kou, tot in mijn nek. Wankel naar de deur; ik moet er geraken. En nu die klink die kantelt, boven, BOVEN! Sleep me de hal in, de trap op. Zoveel trappen hoeken naar omhoog, en hoger. Zo snel, zó snel keert mijn as en HARD—
Zo hárd dat die grond weer aan komt. Mensenlief, toch… Mijn lippen blaken onder stram gezucht. Sleep me de overloop op, reik naar haar deur, duw ze open.
‘Eef.’
Bedrand. Recht.
‘Eef, Eefje. Word wakker. Mam―nee, ik, ik ga lezen,’
Die schakelaar. Miljaar, waar zit dat kloteding―
KLAARTE schiet mijn lamme schedel door. Knippert, en knippert, en blijft GODVERDEKLOOT RECHT. Grijp me vast aan haar arm.
Ze rukt zich los. Kijkt me aan. Komt gestaag dichtbij.
Het diepe van haar ogen nagelt mij ter plekke.
‘Ik moest u al mijn lijf. Nu ook nog mijn tijd?’
En kijkt voorbij me.
Ik blijf staan. Ze stapt langs me heen.
Haar rozencologne vervlogen, berg ik Het Sprookjesboek weg.
Kutnachtlamp.
Maar Eef ligt daar zo schoon; zo gaaf van jeugd, zo schuldloos in haar onvolmaaktheid.
‘Mama.’ Haar fluisteren bezweert de klaarte, mijn beschonken aderen.
‘Hey, lieve meid. Mam―ik, ik ga je een verhaaltje lezen. Hier is het: ‘De hond, de wolf—’
Letters dansen, licht fonkelt voor mijn ogen, ‘—en de maan.’
Ze legt haar hoofd in mijn weke schoot. Duizelt mijn hoofd.
‘In de bergen… was het winter geworden. De grote riv―rivier stroomde, diep…’
En klemt haar armpjes om mijn lendenen.
Beneden slaat de kamerdeur toe.
De klok knippert 3:24.
In haar hoofdje: een fabel op adem van rum.
Haar haren kleuren nat.



Opmerkingen